Grondslag

Vragenderwijs gaat uit van optimistische visies op de ontwikkeling van kinderen, zoals de afgelopen honderd jaar verwoord door vele onderwijsvernieuwers. Door goed te kijken, luisteren en vragen stellen komt een leeromgeving tot stand die steeds verandert en die ook van kind tot kind verschilt. Dus gebruik maken van uiteenlopende methodes en concepten. Ervaringsgericht, natuurlijk leren naast schoolse methodes. Projectmatig werken èn vakdocenten die afgebakende lessen geven. Het is maar net wat de kwaliteiten van de leerling zijn en wat nodig is om gestelde doelen te bereiken. Leraren zijn begeleiders, die hun handelen afstemmen op de behoeften en mogelijkheden van leerlingen. Ze werken vraaggericht. Vraaggericht werken is niet: u vraagt en wij draaien. De rol van de beroepskrachten in de school is actief: vragen wat nodig is en leerlingen stimuleren zelf vragen te stellen. Uitnodigen, uitdagen, activeren en faciliteren. Tijd en rust nemen zodat de leerling keuzes kan maken die echt voortkomen uit de eigen motivatie.

De school is ingericht volgens kwaliteitscriteria van leerlingen. Uit duizenden open interviews met leerlingen van 4 tot 18 jaar komen de tien belangrijkste kwaliteits criteria naar voren:

  • Dat het leren zinvol is
    • dat je je talenten en kwaliteiten leert kennen en gebruiken
    • dat je de wereld om je heen leert kennen
    • dat je ontdekt wat je wil in de maatschappij, vervolgopleiding en beroep
    • dat je leert wat nodig is voor beroep, een vervolgopleiding en om deel te nemen aan de maatschappij
  • Dat het leren goed georganiseerd is
    • dat school, ouders en omgeving meedenken en meedoen met wat je wil leren en samen verantwoordelijk zijn
    • dat je in je eigen tempo, op je eigen niveau leert
    • dat je op veel verschillende manieren leert
    • dat je binnen en buiten de school kan leren
  • Dat er een fijne leeromgeving is
    • dat het huiselijk is
    • dat het kleinschalig is
    • dat er veel faciliteiten en voorzieningen zijn
    • dat er ruimte, rust, privacy en veel speelmogelijkheden zijn
  • Dat je een goede relatie hebt met andere leerlingen
    • dat je jezelf kan zijn
    • dat er veel verschillende kinderen zijn in één groep
    • dat je het kan herstellen, als er iets is gebeurd
    • dat er veel gezamenlijkheid is
  • Dat je een goede relatie hebt met degenen die in de school werken
    • dat er gelijkwaardigheid is
    • dat er naar je geluisterd wordt
    • dat er tijd, rust en aandacht is, ook individueel
    • dat je positief benaderd wordt
  • Dat je goed geholpen wordt
    • dat signalen snel worden herkend
    • dat er snel gehandeld wordt, als er problemen zin
    • dat je meebepaalt wat voor hulp je krijgt, waarom, wanneer, hoe en van wie
    • dat hulp helpt
  • Dat je samen verantwoordelijk bent voor de groep
    • dat je goede informatie krijgt om beslissingen te kunnen nemen
    • dat je met kinderen en medewerkers samen afspraken maakt
    • dat iedere stem even belangrijk is
    • dat je beslissingen samen neemt
  • Dat er evenwicht is tussen vrijheid en structuur
    • dat je de tijd krijgt om te ontdekken wat je kan en wil
    • dat je daar op je eigen manier achter kan komen
    • dat er consequent en duidelijk met afspraken wordt omgegaan
    • dat er ritme en regelmaat is
  • Dat je ouders bij de school betrokken zijn
    • dat je ouders meedoen om je leerdoelen te bereiken
    • dat je thuis en op school op dezelfde manier kan leren en spelen
    • dat je ouders en de school het eens zijn over wat je doet op school
    • dat jou gevraagd wordt hoe ouders bij de school betrokken kunnen worden
  • Dat er duidelijkheid is
    • dat je weet wat er allemaal mogelijk is om het onderwijs te organiseren
    • dat je weet wat er nodig is om je leerdoelen te bereiken
    • dat je goed wordt geïnformeerd om keuzes te kunnen maken
    • dat je weet wie wat doet op school en waarom

onderwijs